woensdag 17 mei 2017

De dame in de metro

Een langerekte klaroenstoot verstoort de stilte in de metro. Nou ja voor zover het er stil is als hij onder de grond voortraast. Ik kijk waar het geluid vandaan komt. Links van mij staat de aanstichtster van de herrie, een ware Rubensvrouw. Zij draagt een knalpaarse laagjesjurk  tot op haar sandalen en over haar schouders hangt een zwarte stola met een wilde schulprand.  Zij snuit haar neus. Maar niet slechts dat. Zij snuit haar neus van het ene metrostation tot het volgende. En geen geruisloze snufjes teneinde niemand te storen hoor, maar full blown halen hier die gerust vier, vijf seconden aanhouden. Het leek mij toch een soort droogtrompetteren zonder resultaat, maar te oordelen naar haar gezichtsuidrukking stond zij daar en kon niet anders. En als het nodig was kon ze als haar zakdoek vol was, altijd nog verdergaan met haar jurk. Na de derde haal, begonnen de gezichten in de metro zich in haar richting te draaien, met een uitdrukking veranderend van verbazing via verbijstering naar ergernis. Zelfs de hippiemevrouw die zojuist op haar blote voeten binnengestapt was, keek gealarmeerd. Het deerde de snuitvrouw niet in het minst. Eerst na de volgende stop borg zij kalm haar zakdoek in haar tas en toonde zij haar nu rode neus weer aan het publiek. Ach ja, hooikoortseizoen he. Dan krijg je dat.

vrijdag 10 februari 2017

Niet vergeten!

Bij de tramhalte tegenover ons huis
 Waar zijn ze gebleven? En hoe gaat het met ze? Ineens vraag ik me dat af. Al die mensen die ik ooit tegenkwam en die zich net een beetje van de rest onderscheidden, doordat ze wat bijzonders hadden of deden. Ik ben ze daardoor nooit meer vergeten. Zulke ontmoetingen decoreren je dag met bloemetjes, en het boeket dat ik in al die jaren bijeen heb vergaard koester ik.

Neem nou bijvoorbeeld de Italiaan die “Signora!!” door zijn winkel riep als ik binnenkwam. Een kleurrijke oude man, die ik niet vaak heb ontmoet, maar die altijd een glimlach op mijn gezicht wist te toveren. Sinds deze week is zijn winkel plotseling gesloten. En ik vraag me af waarom. Zou hij in het harnas gestorven zijn? Is hij plotseling ziek geworden? Of zat de sluiting van zijn winkel er al langer aan te komen en is hij nu van zijn welverdiende rust aan het genieten ergens in Italie in de zon?

Of die meneer met die berenmuts waar ik ooit eens tegenover zat in het boemeltje en die van Kampen naar Zwolle de voering uit zijn longen zat te hoesten, en toen hij er eindelijk in slaagde een fluim in zijn rechterhand te rochelen erachter kwam dat zijn zakdoek aan dezelfde kant in zijn broekzak zat. En die toen onverstoorbaar de fluim tussen de duim en wijsvinger van zijn linkerhand nam, zijn zakdoek op diepte zijn nog warme product daarin veilig en onbeschadigd opborg en weer terug in zijn zak stak. Waar zouden die man en zijn muts gebleven zijn? Zou hij nog steeds hoesten?


Of hoe is het met die meneer die ik meer dan tien jaar geleden nog net voor een val van zijn fiets kon behoeden door hem aan zijn arm tegen te houden, toen hij de fietsenstalling bij de bibliotheek van Hoogeveen op fietste. Hij had MS, vertelde hij me, en daarom had hij af en toe moeite om veilig en probleemloos van zijn fiets te komen. Gelukkig ging het gezien de omstandigheden goed met hem, en had hij geen progressieve vorm van de ziekte. Nee, hij kon helaas niet in Jezus geloven, zei hij. Dat was onmogelijk als je keek naar de staat waarin de wereld verkeerde. Hoe zou het met hem zijn? Zou hij nog leven?

Of die Joodse mevrouw die elke ochtend bij Ikea ging ontbijten omdat ze dan niet hoefde af te wassen waar ze zo'n hekel aan had? Die wél in Jezus geloofde, en in het restaurant in haar Jongbloed zakbijbeltje las. En die haar bijbeltje aan het bladwijzerlintje omhoogtrok, me doordringend aankeek en langzaam zei: “Aan dit draadje hangt mijn leven. Meer is het niet.” En die me een keer een briefje schreef, waarin ze meedeelde dat ik beter geen contact met haar kon hebben omdat ze op de zwarte lijst van de maffia stond en ik maar beter voorzichtig kon zijn. Ze vertelde me ook dat ze allerlei complotten waar satellieten bij betrokken waren, had ontmaskerd. Hoe zou ze het maken?

Een greep uit al die mensen die ik op zijn hoogst een paar maal heb ontmoet en die een onuitwisbare herinnering hebben achtergelaten. Mensen die gemeenschappelijk hebben dat ze uniek geschapen zijn en op een dag mijn pad kruisten. En ineens vraag ik het me af: Waar zijn ze allemaal gebleven en hoe gaat het met hen? Vermoedelijk ga ik daar geen antwoord op krijgen. Maar ze zijn in ieder geval niet vergeten, want ik denk nog regelmatig aan hen. Maar wacht eens even, zou dat voor mij eigenlijk ook gelden? Zou ik via dezelfde route bij een onbekende ander in zijn hoofd terecht zijn gekomen?


vrijdag 7 oktober 2016

Man in Black

Nadat hij zijn laatste slokje koffie heeft doorgeslikt kijkt hij op zijn horloge en vergelijkt het met zijn telefoon. Beide vertellen hem hetzelfde. Tijd om te gaan en zijn plek in te nemen. Tijdens zijn korte wandelingetje van het cafe naar zijn plek monstert hij de lucht. Helder blauwe lucht. Dat betekent veel toeristen. Hij weet ook dat het betekent dat hij meer geld zal verdienen vandaag. Dat is goed, want geen geld, geen eten. Maar soms is hij het zo zat. Steeds weer opnieuw dezelfde truc. Zijn zwarte kostuum met zijn zwarte hoed, zijn witgeverfde gezicht en zijn headset microfoon. Staand op zijn sinaasappelkistje, met niet eens een preek om te houden. Alleen het fluitje dat hij tussen zijn tanden geklemd houdt, waarmee hij nietsvermoedende toeristen de stuipen op het lijf jaagt. En dan het vernederende hopen dat mensen het leuk genoeg vinden om een muntje in zijn plastic bakje gooien. En vandaag is dat niet anders.

Hij hoorde hen al voor hij ze zag. Die overdreven vrouwen met roodgeverfde haren. Hun schater klatert tegen de gevels op. Het ergerde hem gruwelijk. Wat is valt er eigenlijk te lachen? Zien jullie niet dat jullie jezelf voor de gek houden? Jullie denken dat dit leven is, maar het is eigenlijk alleen een onderbreking van dood. Over twee dagen zakken jullie weer weg in apathie en zal het zijn alsof dit alles niet gebeurd is. O tuurlijk, gooi mijn geldbakje maar omver. Ik wijs je met alle plezier aan waar de muntjes naartoe gerold zijn die je weer moet oprapen en terug moet stoppen in mijn bakje. Ja goed zo, dank dames, jullie ook nog een prettige dag. Niet te geloven zeg dat ik er ooit lol in had om mensen schrik aan te jagen. Dat het mijn hele dag goedmaakte als er een vrouw een gilletje slaakte, of een man een luchtsprong maakte, wanneer het fluitje tussen mijn kaken vandaan kwam.

Het is wel zo. Er waren dagen dat ik plezier beleefde aan waar ik mijn geld mee verdiende. Maar nu? Ik wou werkelijk dat ik een echt beroep had geleerd. Oh nee he! De volgende die mijn bakje omkiepert. Ja, raap het alstublieft maar even op. Daar, daar, daar en daar, ja. Alle muntjes weer in 't bakje. Dank u wel. Wacht eens even. Wat een geweldige aanblik eigenlijk. Mensen die als reuzenkevers rondkruipen met hun achterwerken in de lucht om míjn geld weer bij elkaar te scharrelen. Hier hadden ze niet van gedroomd toen ze hun Praagse tripje planden. Dit overtreft hun stoutste verwachtingen zeker weten ruimschoots. Daar kan ik uren naar kijken. Haha! Nu weet ik wat mijn taak in het leven is, Niet om toeristen te vermaken, maar om toeristen míj te laten vermaken! Kijk naar de lucht. Het is helderblauw! Dat betekent: hordes toeristen die allemaal over mijn geldbakje kunnen struikelen.

De man gluurt snel in alle richtingen. Niemand kijkt? Haastig schuift hij met zijn voet het bakje naar voren, een beetje meer in de weg.










dinsdag 12 juli 2016

Het is Pesse niet!

Het is een gewone, doorsnee dinsdag. Behalve dan dat we al aan week 4 van de vakantie begonnen zijn en mijn kind zich schromelijk verveelt. “En zeg alsjeblieft niet dat dat goed voor me is en dat ik daar creatief van word!” Dus dat doe ik dan maar niet. In plaats daarvan hoor ik mij zeggen: “Dan ga je even naar de stad. Mensen kijken ofzo.” Ho wacht even, schrok ik van mezelf, naar de stad?! Alleen?! We wonen hier wel in Praag hoor. Dat is iets heel anders dan Borculo of Pesse. Praag is groot en Tsjechisch. En tjokvol met mensen. Praag is nummer drie in de top-10 van zakkenrollend Europa. En mijn kind is wel mijn kind. En hij moet wel Bereikbaar blijven. Dat kan niet als zijn telefoon gerold wordt. Mijn kind is anders ook heel zelfstandig. Hij kan zich prima redden. Hij loopt niet in zeven sloten tegelijk. En is niet voor een gat te vangen. Laat zich de kaas ook niet zomaar van het brood eten. Wat kan ik er verder nog voor een overtuigende Nederlandse gezegdes tegenaan gooien? Hij kent de weg en het OV beter dan zijn nogal es in het rondklungelende moeder. En als hij oud genoeg is om met het OV naar bestemmingen te reizen, dan is hij toch ook oud genoeg om met het OV zonder bestemming te reizen?


Al die gedachten schieten als een achtbaan door mijn hoofd. Afwegingen maken op topsnelheid. Maar ik kan al niet meer terug. Het kind denkt: goed idee. Dus het kind vertrekt, op zijn slippers en met zijn phone. En een plan, ja zelfs met een plan. Eerst het park, dan de Oude Stad en dan weer naar huis. Hij belooft me op de hoogte te houden van zijn bewegingen. En ja hij zal zoveel mogelijk met de tram reizen, en zo min mogelijk met de metro. Want in de metro ben je namelijk niet zo Bereikbaar. Ik sms er een batterij totaal overbodige waarschuwingen achteraan. Want dat kan, als het kind Bereikbaar is. “Lalalala loslalalalatennnnn”, zing ik mezelf maar weer eens toe. In plaats van mijn kind liefdevol irritant op zijn telefoon te stalken typ ik deze blog post. Maar nu heb ik het wel weer lang genoeg gerekt. Gauw een sms sturen om zijn whereabouts te checken!

woensdag 15 juni 2016

De schoonheid van afscheid


Het is weer die tijd van het jaar. Elk jaar weer moeten we afscheid nemen van mensen die definitief Praag verlaten. Het doet pijn en het went maar niet. Op de dag dat we blij zouden moeten zijn omdat de zomervakantie begonnen is, zitten onze kinderen droef en met hangende schouders op de bank. Ze missen de kinderen die zijn weggegaan nu al. Het feit dat ze die kinderen evengoed wekenlang niet zouden hebben gezien als ze wel in Praag waren gebleven, telt niet. De wetenschap dat er weer iemand vertrokken is die een belangrijke plek in hun leven innam, schrijnt. Het is ontroerend om te zien hoe dapper ze ermee omgaan. Nog een laatste stevige omhelzing, en daar gaat hij. Of zij.

Ik vind het moeilijk om onze kinderen verdrietig te zien zijn. Ik begrijp het. Ik voel het verdriet ook. Maar ik zou graag zien dat het de lieverds bespaard bleef. Helaas. Toch is het ook mooi. Dat je zoveel om iemand geeft, dat het pijn doet als hij weggaat. En dat dat andersom ook zo geldt. Maar het cliché “ we zien elkaar weer in de hemel”, helpt niet. Het verzacht de pijn in het hier en nu niet. Het schrijnt nog net zo zeer als voordat iemand die onvermijdelijke woorden uitsprak. Troostender vind ik de gedachte dat we voor elkaar kunnen bidden. Ik breng iemand die aan de andere kant van de wereld woont, aan Gods voeten. Zij doet hetzelfde voor mij. Het is dan alsof we elkaar daar, even ontmoeten, heel even bij elkaar zijn. En wat is er nu een mooiere plek om iemand te ontmoeten dan voor de troon van God?


Afscheid nemen brandt een gaatje in je hart. Dat groeit wel weer dicht, maar het duurt eventjes.

maandag 30 mei 2016

Het dorp dat van de kaart werd geveegd

“Als je je kind niet wilde afgeven, dan werd het met geweld uit je armen getrokken. We zouden hoogstens een uur van hen gescheiden zijn, zo werd ons verteld, en dan weer bij elkaar zijn. We hebben ze nooit teruggezien.”  



Op 27 mei 1942 wordt Reinhard Heijdrich, gouverneur van het protectoraat Bohemen, door twee Tsjechen, die vanuit Engeland per parachute in Tsjechie waren gedropt, neergeschoten en acht dagen later bezwijkt hij. Hitler is woedend en roept op om de daders te vinden. De Duitsers voeren vervolgens wraakacties tegen Tsjechische burgers uit.

Tien juni 1942. Het tamelijk willekeurig gekozen dorp Lidice wordt door de Duiters omsingeld. Alle dorpelingen worden uit hun huis gejaagd en centraal verzameld. De mannen, van 15 jaar en ouder worden in een schuur opgesloten. In een documentaire in het muzeum van Lidice komen overlevenden aan het woord die met elkaar die vreselijk dag en de daarop volgende periode reconstrueren. Een oude vrouw vertelt: “Mijn vader had waarschijnlijk geen idee wat hem en ons te wachten stond. Hij zei:”We zien elkaar snel weer.” En voordat hij weggevoerd werd zei hij:”Vergeet God niet.” Dat is het laatste wat ik van hem hoorde.” De volgende dag werden alle mannen doodgeschoten.

De vrouwen en kinderen worden apart verzameld en later van elkaar gescheiden. Ze zullen allemaal naar een kamp gestuurd worden. De kinderen, zo wordt hen verteld, zullen vanwege het comfort met de bus gebracht worden, en hun moeders reizen met de trein.


 “Maar er ontstond tumult. De kinderen gilden. Ze wilden niet van hun moeders gescheiden worden. En de moeders wilden dat ook niet. Toen begonnen de nazi's in de lucht te schieten en ze brulden dat wie zijn kind niet vrijwillig afgaf, neergeschoten zou worden. Als je je kind niet uit handen wilde geven, dan werd het met geweld uit je armen getrokken. We zouden hoogstens een uur van hen gescheiden zijn en dan weer worden verenigd. We hebben ze nooit teruggezien. Dat moment dat je kinderen van je los worden gescheurd, hun geschreeuw en gehuil, dat vergeet je je hele leven niet meer. Nooit” De oude vrouw buigt haar hoofd. Haar schedel zichtbaar door haar dun geworden haar. Moeizaam brengt ze een zakdoekje naar haar ogen, om haar tranen weg te vegen, tranen die na al die jaren nog altijd niet hadden opgehouden te stromen.


“Tot aan die dag in juni wisten we weinig van wat er om ons heen gebeurde. Kinderen groeiden niet zo snel op als tegenwoordig. Ons leven was eenvoudig. We gingen van huis naar school en weer naar huis. Daarna lieten we de gansen grazen en maakten we ons huiswerk. Dat was ons leven. Televisie enzo dat was er allemaal nog niet. We waren zo naief. We wisten niets van de wereld.”, vertelt een van de oude vrouwen in de film.

De vrouwen eindigen in Ravensbrück. Een deel van hen sterft, ofwel door ziekte en uitputting, of in de gaskamers. De kinderen worden naar Lodz in Polen gestuurd. Daar worden ze gesorteerd op rassenkenmerken en de kinderen die er arisch uitzien worden bij Duitse families ondergebracht om gegermaniseerd te worden. “En toen kreeg ik een nieuwe naam en heette ik Ingeborg.” De overige kinderen werden vergast in Chmelno. De “arische” kinderen kwamen na de oorlog weer naar Tsjechië. “Ik heb nooit geweten wat er met de andere kinderen is gebeurd. Daar kwam ik pas na de oorlog achter.”

Het dorp Lidice wordt volledig met de grond gelijkgemaakt. Alles wordt platgebuldozerd. Op de plaats van het vroegere Lidice is vrijwel niets overgebleven van het dorp, behalve de overblijfselen van de boerderij van de familie Horak en de fundering van school en kerk. De plaats waar het dorp ooit lag is nu een herinneringsplek geworden. Rustiek en groen met paden die van monument naar monument leiden.


  
De zon schijnt, de vogels fluiten, bloemen bloeien. Een Brandenburgs concert van Bach komt over de grasvelden aangegolfd. En dan zijn er die beelden. Een monument voor de vrouwen uit het dorp die vermoord zijn. Het monument voor de vermoorde kinderen. Daar staan ze alle 82, als gegoten. De herinneringsmuur voor alle mannen die genadeloos zijn neergemaaid. Een monument voor alle dorpen die onder collectieve wraakacties van de nazi's te lijden hebben gehad, waaronder ook Putten.

In 1949 wordt het dorp een eindje verderop herbouwd. Maar wat maakte het dorp dan eigenlijk het dorp. De mensen die er woonden? Of de huizen en gebouwen? Van de oorspronkelijke bevolking is  dan vrijwel niemand meer over, op een aantal vrouwen en een handjevol kinderen na. Lidice is door de verschrikkingen die het te verduren kreeg, nu wereldwijd bekend en er zijn aantal gemeenschappen in andere delen van de wereld, die de naam van het stadje dragen.









dinsdag 26 april 2016

Deurleefd

Wat een prachtexemplaar. Zelden zo'n boeiend gearrangeerde samenloop van planken en latjes in een deur gezien. Je vraagt je af hoe het zo ver heeft kunnen komen. Het begon vast ooit als een normale, op maat gemaakte deur. Naar mijn idee moet het paneel rechts boven een restant van het origineel zijn, alsook de omlijsting. En als dat zo is dan was het wel een deur met allure. Maar toen? Zou er geleidelijk verval zijn opgetreden en dat de gaten steeds werden opgelapt en dat er toen ineens een deur met een soort quiltpatroon verscheen? Of is er iemand in een dronken bui doorheen gesjeesd? En moest er in allerijl een oplossing verzonnen worden om het gat te dichten? Want ja deuren hebben een functie en die moeten ze behouden. Ze sluiten af en verlenen toegang. Of niet natuurlijk. Niet alle maatregelen leveren het gewenste resultaat op. En zeg nou zelf, dat hangslotje ziet er niet zo vertrouwenwekkend uit.

Wat een prachtexemplaar. Zelden zo'n boeiende samenloop van omstandigheden en littekens in een persoon verenigd gezien. Je vraagt je af hoe het zover heeft kunnen komen. Het begon vast ooit als een puntgaaf stevig mens. Misschien dat het onderdeel links halfhoog achter zijn ribben nog wat restanten van het orgineel heeft, alsmede de spiegels van de ziel. Als dat zo is, dan was het wel een verschijning met allure. Maar toen? Zou er geleidelijk verval zijn opgetreden, zakkend langs 's levens regenpijp de goot in? Of zou hij met klaar geweld verwoest zijn en moest de mens in allerijl opgelapt om volledige ineenstorting te voorkomen? Want ja hij had wel een functie en die moest hij behouden. Of niet natuurlijk. Niet alle maatregelen leveren het gewenste resultaat op. En zeg nou zelf, de onvast-ter-beenheid met stok ziet er niet zo vertrouwenwekkend uit.


Ik wil het eigenlijk gewoon weten. Zowel van de deur als de mens. Hoe werden ze wat ze nu zijn? Werd het verval niet opgemerkt en hingen ze plots versleten in hun sponningnen? Of is er moedwillig schade berokkend. Maar eigenlijk is het niet zo belangrijk. Beiden zijn prachtig zoals ze nu zijn. Karakteristiek en enig in hun soort. En oneindig interessant door de zichtbare geschiedenis die niet verteld wordt.